woensdag 27 juli 2011

fromupthere

(Erik-Jan Hummel vroeg ons op Facebook waar het laatste liedje van onze debuut-cd over gaat. Wij vroegen hem waarom. Hieronder zijn verslag van een close reading van fromuphere.)

fromuphere by Hospital Bombers


Het meisje van hierboven

Flanor is het enige literaire dispuut van Nederland, en het poëzieclubje van Flanor – Dronken Boot – ging maandag 25 augustus, als zoveel maandagen daarvoor, gedichtjes bespreken. Nu is het de gewoonte dat de gastheer of gastvrouw van te voren gedichtjes uitzoekt en opstuurt, maar voor de 25e was de gastheer in de war. Hij luisterde muziek en dacht: hé, dit klinkt als een gedicht – hij las hoofdstuk zeven van Het hinkelspel van Cortázar en dacht: hé, dit leest als een gedicht. Helaas zette de verwarring niet door en stuurde hij braaf gedichtjes op die in de 21e eeuw geschreven zijn – en handig bij elkaar geharkt door Komrij.

Toch kon hij het niet laten om de anderen zijn zoektocht op te dringen en van alle liedjes waarvan hij dacht dat het een gedichtje was, sprong fromuphere was de Hospital Bombers er boven uit. Om het genoegen te smaken volgen een aantal liedjes die niet verkozen werden: For All We Know van de Pleasants; Moving, Shaking van The Great Lake Swimmers; Ninth Avenue Reverie van The Middle East; I Keep a Close Watch van John Cale; en I See a Darkness van Bonnie “Prince” Billy.

Maar dan was de vraag: wat is eigenlijk de tekst van fromuphere? Van die andere nummers waren overal de teksten weg te plukken. Zelfs Wikipedia heeft een aparte afdeling liedjesteksten. Het werd ouderwets luisteren naar de stem en de gastheer kwam tot:

fromuphere

Een, twee, drie, vier.
From up here,
it looks like snow,
it looks like January.
For all I know,
it could be spring,
I don’t know
anything
anymore.

From up here,
I saw you.
You were just a flash of
fluorescent blue.
In the room you look
to wind on the radio.
You depart
before I knew.

Hospital Bombers
Footnotes, 2008


-Maar, je hebt de tekst door naar de muziek te luisteren?
-Ja.
-Heb je dan zelf de bladspiegel bedacht? Die is erg belangrijk, ik bedoel de gedichten van Lernert Engelberts zijn gewoon korte verhaaltjes met een bladspiegel, zo kan je van alles wel een gedicht maken!

De verwarde gastheer kreeg grote ogen van oneindige mogelijkheden.

En iedereen dronk wijn en bier, en toen bier en wijn. En toen de waaghals wilde dat we het voor zouden dragen, dirigeerde hij iedereen naar het balkon en ging hij in de vensterbank zitten om ons van hierboven fromuphere voor te dragen, en zonder dat we het wonder door hadden, werden de witte gordijnen blauwgekleurd, en speelde iemand piano in de verte. De waaghals las het eerst traag en verdrietig, en daarna vrolijk en haast misplaatst.


-Maar dat is geen zin! ‘You depart before I knew’, het is ‘before I know’ of ‘You departed’.

Op de CD-hoes staan op de achterkant in plaats van de nummers, de laatste zinnen van de liedjes – leuk lolligheidje - en ook: ‘you were gone before I knew.’ Een ‘be’ die werd ingeslikt, een bladspiegel die opnieuw gemaakt moest worden. Maar het grootste mysterie waren de drie-na en twee-na-laatste zin in de originele bladspiegel.

-‘In the room you look to the wind in the radio.’ Wind in een radio? Luchtgolfen van muziek?
-Nee, ‘wind on the radio.’
-Ja, hoor, een radio die je op moet winden!
-Ja, die bestaan. Ik ken een meisje…
-Houd je mond maar over je meisjes.

Even later luisterden we met ons vijven naar de wind van de radio en telkens naar de zinnen die we niet begrepen. We dachten uiteindelijk: ‘In the room below you turn on the radio.’

-En waar gaat het dan over?
-Een vrouw wiens geliefde vertrekt, en die in de war is, die denkt dat het lente kan zijn, of dat het sneeuwt, misschien is ze de tijd kwijt geraakt en is ze een tijdje niet meer buiten de deur geweest. Dat, of iets met een huisdier.
-Iets met een huisdier?
-Ja, haal jij dat er niet uit?

De avond werd nacht onder de zwoele stem van Cortázar, de voordrachten van nieuwerwetse gedichtjes, en de verwarde gastheer dacht: wat een verdrietig meisje, dat van hierboven. Zou ik haar toch kunnen troosten, met een gedichtje als:

Zullen we een bos beginnen?

Graaf een kuil
en plant je boom
voorzichtig
naast de mijne.

Kunnen ze elkaar
uit de wind houden
als het stormt

of in de zondagzon
samen zwijgen.

En als ze ’s avonds
door de wimpers
van hun twijgen
naar elkaar kijken
beginnen ze al
op een bos te lijken.

Jaap Robben
Zullen we samen een bos beginnen, 2008


En zonder het meisje te kennen – en met de ijdele hoop dat ze bestaat – of verder enige aanspraken op pretenties te maken, sliep de gastheer in, in zijn nu versleten kamer, met mooie dromen en de gedachte dat er ook gedichten zijn die onbegrijpelijk zijn, maar die toch ergens nog een idee of een gevoel teweeg brengen en dat fromuphere, zo triest en verloren, eigenlijk alleen maar beantwoord kon worden met iets vrolijks, iets opgewekts, iets onschuldigs, en dat hij dat net gedaan had.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen